U geeft informatie over de status van een bepaald toestel weer door op een van de volgende manieren te werk te gaan:
-
via een poort die bij een analoog of digitaal toestel hoort;
-
door een H.323 toestel te selecteren;
-
door te dubbelklikken op Toestellen en dan in het navigatiepaneel het gewenste toestel te selecteren.
-
door op een toestel te dubbelklikken in het scherm Toesteloverzicht.
Systeemstatus gebruikt de volgende methode om de poort aan te geven die wordt gebruikt door een analoog of digitaal toestel:
-
Indien het toestel zich op de systeemunit bevindt, wordt de aanduiding Controle-eenheid gevolgd door ofwel Telefoonpoort X (waarbij X het poortnummer is) of DS poort X (waarbij X het poortnummer is 1-8).
-
Indien een toestel zich op een uitbreidingsmodule bevindt, dan is de aanduiding Module XX (waarbij XX het poortnummer is 1-12) gevolgd door Poort X (waarbij X het poortnummer is 1-30).
Bijvoorbeeld:
|
Toestel: 201
|
Systeemunit
|
DS-poort: 1
|
|
Toestel: 231
|
Slot: 4
|
Poort: 7
|
|
Toestel: 271
|
Module: 4
|
Poort: 1
|
Het poortnummer komt altijd overeen met ieder nummer dat wordt afgedrukt voor de fysieke poortverbinding.
Voor H.323-toestellen is de aanduiding het begintoestelnummer van de gebruiker, het IP-adres van het toestel en het MAC-adres (alleen getoond wanneer het systeem en de telefoon op hetzelfde subnet zit). Bijvoorbeeld:
|
Toestel:
|
IP-adres:
|
MAC-adres:
|
|
371
|
192.168.44.2
|
AA:AA:AA:AA:AA:AA
|